De Hollandse Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam.

Na het winkelen ging ik koffie drinken op het terras van Bagels. Er stak een stevige wind op. De menukaarten rolden van de tafeltjes de straat over. De krant die ik wilde openvouwen, scheurde door midden en raakte in de war. Ik moest er een asbak bovenop zetten om er nog iets van te kunnen lezen en legde hem tenslotte maar weg. Tijdens mijn gevecht om de wind te snel af te zijn voelde ik hoe iemand mij van opzij gade sloeg. Ik wilde terug kijken, geïrriteerd over dit leedvermaak. Een W’sapp van mijn vriend leidde mij af:’Kom niet thuis eten.’ Ik besloot bij wijze van vervroegd diner een Bagel met tonijnsalade te bestellen en een koffie verkeerd.

Toen ik naar huis wilde gaan, bleek de tas met wat kleine aankopen erin, verdwenen te zijn. Ik had die middag met veel plezier rondgedobberd in het warme uitverkoopbad van de HEMA. De winkel die mij altijd deed denken aan de moeder van een ex-vriendje uit mijn jeugd. Haar vader was hoofdboekhouder geweest van de Bijenkorf in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het was crisistijd, de eigenaars van de Bijenkorf wilden een winkel voor mensen met een kleine beurs oprichten; dagelijkse artikelen voor een lage prijs, maar van goede kwaliteit. Dat werd De Hollandse Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam.

Zij, de moeder van dat vriendje, was haar leven lang socialiste geweest en glunderde als zij sprak over de producten van de HEMA; de worst, het gebak, de spritsen. Mij verbaasde het als tiener, opgroeidend in Amsterdam-Zuid, dat zij de voorkeur gaf aan zo’n eenvoudige winkel. Zelf begreep ik van mijn beste vriendinnetje uit de buurt dat je je kleren minstens bij de Society Shop moest kopen.

Wij speelden als kind in een holle ruimte boven een kast. De moeder van mijn vriendje had in eenzelfde kast ondergedoken gezeten in de oorlog, op de hoek van de straat. ‘Wij rookten in de onderduik shag in krantenpapier,’ zei zij wanneer wij zeurden dat de vloeitjes op waren.

Toen ik haar in mijn naïviteit vroeg of de HEMA niet beneden onze stand was, kreeg ik een flinke uitbrander om zoveel onbegrip. Een gevoel van respect bekruipt mij nog altijd bij het betreden van de winkel. Ik koop er tegenwoordig graag mijn kleren. Een Bijenkorf voor mensen met een kleine beurs, dat vind ik nog steeds een troostende gedachte.

Ook op de school in Amsterdam-Zuid waar ik enige tijd werkte, keken de kinderen neer op wat ik droeg. ‘Waar koopt u uw kleren,’ vroegen zij pesterig. ‘Zeker bij de HEMA?’ Ze trokken er een vies gezicht bij. Kinderen zien altijd alles, dat heb ik wel geleerd, maar over de geschiedenis van de buurt waarin zij wonen en waaraan zij hun status ontlenen weten zij heel wat minder.

Ik keek rond en zag een plastic tas van de HEMA, rood logo met witte letters, naast een ander tafeltje staan. Dat moest mijn tas zijn, die daar waarschijnlijk naartoe gewaaid was. Twee dames met grijs haar en beiden een rode sjaal om, zaten aan het tafeltje en keken strijdlustig rond. Als ik mij niet vergis zag ik bij één van hen een button met een opgeheven vuist op het revers. ‘Is dat uw tas?’ vroeg ik aan de vrouw. Ze aarzelde even en knikte vervolgens: ‘Ja, die is van mij.’ Ik schaamde me dat ik haar had durven vragen. De dames zetten hun gesprek voort en besteedden verder geen aandacht meer aan mij.

‘Misschien is mijn tas door de wind weg gewaaid,’ zei ik tegen de ober die tevergeefs had meegezocht. Ik gaf hem mijn 06 voor het geval hij iets zou vinden en rekende af.

Nog dagenlang bleef ik geloven dat mijn spullen ergens in het water, achter een boomtak, of langs de stoep gevonden zouden worden. Maar er kwam geen telefoontje en ik balde mijn vuist tegen de wind.

Advertenties